Op 4 maart 2025 heeft de Eerste Kamer de Wet opheffing verpandingsverboden aangenomen. De verwachting is dat deze nieuwe wet op 1 juli 2025 in werking treedt. De wet maakt een einde aan de mogelijkheid om de overdracht of verpanding van zakelijke geldvorderingen contractueel uit te sluiten. Dit is goed nieuws voor ondernemers die extra financieringsruimte willen creëren door geldvorderingen te verpanden aan factormaatschappijen of financiers.

Wat is een verpandingsverbod en waarom wil de wetgever ervan af?
Op dit moment wordt in veel contracten en algemene voorwaarden een verbod opgenomen op het overdragen en/of verpanden van geldvorderingen. Dit is fijn voor debiteuren, want op die manier krijgen zij niet te maken met onbekende schuldeisers of pandhouders. Voor veel ondernemers betekent dit echter dat zij hun openstaande facturen niet kunnen gebruiken als onderpand voor krediet. Vooral in sectoren waar kredietverlening vaak gepaard gaat met factoring of andere vormen van debiteurenfinanciering, levert dit problemen op. Banken en financiers eisen doorgaans zekerheden, en als geldvorderingen niet mogen worden verpand, bemoeilijkt dit de kredietverlening.

In andere Europese landen zijn dergelijke verpandingsverboden vaak niet toegestaan. Dit maakt het voor Nederlandse ondernemers lastig om internationaal concurrerend te blijven. De wetgever wil met de nieuwe wet zorgen voor een gelijk speelveld en ondernemers in staat stellen gemakkelijker aan financiering te komen. Naar verwachting zal er na de inwerkingtreding van de wet alleen al voor het MKB bijna € 1 miljard extra kredietruimte vrijkomen.

Wat verandert er met de Wet opheffing verpandingsverboden?
De nieuwe wet wijzigt artikel 3:83 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel luidt straks als volgt:

“De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten, tenzij het een geldvordering op naam betreft, anders dan een vordering uit hoofde van een betaal- of spaarrekening, die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf en wordt overgedragen voor financieringsdoeleinden. Elk hiermee strijdig beding is nietig.”

Het gevolg hiervan is dat een onderneming dit soort (let op: zakelijke) geldvorderingen ‘gewoon’ mag overdragen of verpanden; een eventueel opgenomen verpandingsverbod in de overeenkomst of algemene voorwaarden is immers nietig. Het hiervoor genoemde bezwaar dat debiteuren dan te maken krijgen met onbekende pandhouders of schuldeisers, is in de wet weggenomen doordat de schuldeiser verplicht is om schriftelijk te laten weten dat een vordering is overgedragen of verpand.

Wat betekent dit voor bestaande overeenkomsten?
Bestaande overdrachts- en verpandingsverboden die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn overeengekomen, blijven nog drie maanden na de inwerkingtreding geldig. Dit geeft partijen de tijd om eventueel andere contractuele regelingen te treffen. Na deze drie maanden zijn bestaande verpandingsverboden voor nieuwe zakelijke vorderingen niet langer afdwingbaar. Voor nieuwe overeenkomsten geldt dat een verpandingsverbod direct vanaf 1 juli 2025 nietig is.

Vragen?
De Wet opheffing verpandingsverboden is een belangrijke stap vooruit voor ondernemers die financiering nodig hebben om te kunnen investering. Door het verdwijnen van verpandingsverboden wordt het eenvoudiger om zakelijke vorderingen te gebruiken als zekerheid. Dit zal kredietverlening stimuleren en ondernemers meer mogelijkheden geven om hun werkkapitaal te optimaliseren.

Wilt u meer weten over de gevolgen van deze wet voor uw onderneming? Neem dan contact op met Martijn Helmstrijd, via m.helmstrijd@oprecht.nl of 0229-285070.