Actualiteiten

advocaat hoorn oprecht

23 december 2016

Vacature gevorderd advocaat-stagiair & advocaat-medewerker vastgoedrecht

Oprecht Advocaten is momenteel op zoek naar een gevorderde advocaat-stagiair en een advocaat-medewerker vastgoedrecht. Wij bieden jou een inspirerende werkomgeving, de mogelijkheid om je te specialiseren en uitstekende arbeidsvoorwaarden.

Ben jij een teamplayer, houd je van humor en ben je op zoek naar uitdagingen op een kwalitatief hoogstaand niveau? Dan zoekt Oprecht Advocaten jou.

Oprecht Advocaten is gevestigd te Hoorn aan de Nieuwe Steen 40 en richt zich hoofdzakelijk op ondernemers. Bij Oprecht Advocaten zijn zes advocaten, twee bewindvoerders, één faillissementsmedewerker en vier ondersteunende medewerkers werkzaam.

Wil je meer weten over deze vacatures? Neem dan contact op met Linda Bijl via l.bijl@oprecht.nl of bel ons op 0229 28 50 70.

1 januari 2016

Indexering alimentatiebedrag.

De wettelijke indexering per 1 januari 2016 bedraagt 1,3%. Dit betekent dat het door u te betalen of te ontvangen alimentatiebedrag in beginsel met dit percentage verhoogd dient te worden met ingang van het nieuwe jaar. Kinderalimentatie moet altijd geïndexeerd maar bij partneralimentatie kan de indexering in het convenant uitgesloten zijn.

Als u alimentatie ontvangt, zorg dat u de indexering waar u recht op heeft, ontvangt. Het recht op inning van achterstallige alimentatie en indexering verjaart namelijk al na vijf jaar. Er kan na verloop van vijf jaar dus niet meer worden geïnd. Indien u in de tussentijd, dus binnen deze vijf jaar, uw ex-partner heeft aangemaand (en u kunt dat bewijzen), is de verjaring daarmee gestuit. Het gevolg daarvan is dat ook oudere achterstanden nog geïnd kunnen worden en dat de verjaringstermijn van vijf jaar opnieuw is begonnen op de datum van de aanmaning.

15 december 2015

Schikking slechts 5 jaar geldig.

Een gerechtelijke procedure eindigt in beginsel met een einduitspraak. Op basis van deze uitspraak kan de schuldeiser executoriaal beslag laten leggen met als doel zijn vordering te incasseren. De verjaringstermijn van een einduitspraak is 20 jaar.

Een gerechtelijke procedure eindigt echter ook geregeld met een schikking tussen partijen voordat de rechter uitspraak heeft gedaan. Deze schikking kan door de rechter worden vastgelegd in een proces-verbaal. Met het proces-verbaal in de hand kan de schuldeiser executoriaal beslag laten leggen wanneer de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de schikking. Met andere woorden, het proces-verbaal heeft dezelfde “kracht” als een einduitspraak.

Er is echter een belangrijk verschil tussen een einduitspraak en een proces-verbaal. De verjaringstermijn van een proces-verbaal is namelijk slechts 5 jaar (in plaats van 20 jaar). Dit heeft de Hoge Raad onlangs geoordeeld.

In de zaak bij de Hoge Raad verkeerde de schuldeiser in de veronderstelling dat zijn vordering van € 95.000,-, vastgelegd in een proces-verbaal, een verjaringstermijn van 20 jaar zou hebben. De Hoge Raad oordeelde echter dat de vordering al na 5 jaar, te weten in juli 2013, was verjaard. Het gevolg hiervan is dat de schuldeiser zijn vordering niet meer kan incasseren.

Gegevens uitspraak:
Hoge Raad 27 november 2015, ECLI 2015:3423

2 december 2015

Samenloop vergoedingen bij ontslag.

Per 1 juli 2015 heeft een werknemer, als is voldaan aan de voorwaarden, bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding. Tegelijkertijd kan hij mogelijk aanspraak maken op cao-afspraken die vóór 1 juli 2015 zijn gemaakt over vergoedingen en/of voorzieningen bij ontslag. Denk bijvoorbeeld aan een wachtgeldregeling, tijdelijke aanvulling van de WW-uitkering of outplacementtraject.

Dit kan dus betekenen dat de werknemer dubbel wordt gecompenseerd voor het verlies van zijn baan. De regering vindt deze samenloop van vergoedingen onwenselijk. Daarom heeft de regering het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding opgesteld. Dit besluit bepaalt dat indien een werknemer op grond van een cao recht heeft op een vergoeding of voorziening de transitievergoeding niet verschuldigd is, tenzij is overeengekomen dat de cao-vergoeding of -voorziening een aanvulling is op de transitievergoeding.
De cao-vergoeding of -voorziening is echter niet altijd gunstig voor de werknemer. Dit werd duidelijk zichtbaar in een recente zaak bij de kantonrechter te Rotterdam. In deze zaak bedroeg de cao-vergoeding € 600,-, terwijl de transitievergoeding uitkwam op € 7.000,-.

De kantonrechter overwoog dat een situatie zoals deze, waarin een substantieel verschil ten nadele van de werknemer bestaat, niet of onvoldoende door de regering is onderkend. De kantonrechter oordeelde dan ook dat het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding in dit geval buiten toepassing dient te blijven, zodat de werknemer recht heeft op de transitievergoeding.

Gegevens uitspraak:
rechtbank Rotterdam 15 oktober 2015, ECLI 2015:7335

12 november 2015

OAD-aandeelhouder vangt bot: onvoldoende feiten gesteld geen afgeleide schade.

De Hoge Raad heeft in een aantal arresten, die aanvangen met het arrest van 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP), geoordeeld dat een vordering op een derde wegens vermindering van de waarde van de aandelen in een vennootschap ten gevolge van het niet nakomen van contractuele verplichtingen of onrechtmatig handelen van die derde jegens de vennootschap (de zogenaamde “afgeleide schade”), in beginsel alleen door de vennootschap zelf kan worden ingesteld, en niet door de aandeelhouders.

De Hoge Raad heeft het alleen mogelijk geacht voor een aandeelhouder om afgeleide schade te vorderen, indien de schade het gevolg is van schending door een derde van een jegens de aandeelhouder geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting.

De rechtbank Midden-Nederland heeft 4 november 2015 de vorderingen afgewezen die de aandeelhouder van het OAD-concern heeft ingesteld tegen de Rabobank. De aandeelhouder verwijt de Rabobank dat - door ten onrechte de kredietovereenkomst met het OAD-concern op te zeggen - het faillissement van het OAD-concern is veroorzaakt, en daarmee het waardeloos worden van de aandelen. De aandeelhouder vordert van de Rabobank een vergoeding voor deze waardevermindering van de aandelen. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet toe. De rechtbank is van oordeel dat de aandeelhouder deze vordering niet kan instellen. Dat kan alleen (de curator van) OAD.
Onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad oordeelt de rechtbank dat in beginsel alleen het concern zelf schadevergoeding kan vorderen vanwege waardevermindering van aandelen van degene die de waardevermindering heeft veroorzaakt door wanprestatie of onrechtmatig handelen, en niet de aandeelhouder(s). De uitzonderingssituatie doet zich niet voor.
Rabobank heeft de eisen die zij stelde aan het voortzetten van de kredietrelatie met OAD (waaronder kapitaalversterking) niet aan de aandeelhouder van OAD gesteld maar aan (het bestuur van) OAD. Dit betekent dat de Rabobank bij de aandeelhouder ook geen verwachting heeft kunnen wekken over de gevolgen van een geslaagde kapitaalversterking.
De eis van de aandeelhouders van OAD wordt afgewezen.

4 augustus 2015

Concurrentie- en relatiebeding altijd laten ondertekenen

De rechtbank Rotterdam heeft onlangs nog maar eens benadrukt dat een werknemer slechts gebonden is aan een concurrentie- en relatiebeding wanneer hij daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

Aangezien een concurrentie- en relatiebeding de vrijheid van een werknemer in aanzienlijke mate kunnen beperken, worden er zware eisen gesteld aan het rechtsgeldig overeenkomen van dergelijke bedingen.

Eén van die eisen is het schriftelijkheidsvereiste, hetgeen inhoudt dat de werknemer schriftelijk moet instemmen met het concurrentie- en relatiebeding. Dit vereiste dient als waarborg dat de werknemer de gevolgen van deze bedingen goed heeft overwogen en een doordachte afweging heeft gemaakt, voordat hij instemt met een concurrentie- en/of relatieding.

Het schriftelijkheidsvereiste brengt dan ook met zich mee dat de werknemer het concurrentie- en/of relatiebeding moet hebben ondertekend, zelfs als vaststaat dat deze bedingen aan de werknemer zijn verstrekt, dat de werknemer er kennis van heeft genomen en er mondeling mee akkoord is gegaan.

Gegevens uitspraak: rechtbank Rotterdam 9 juli 2015, ECLI 2015:4898

1 juni 2015

Twee verschillende sets algemene voorwaarden

Algemene voorwaarden zijn van groot belang voor bedrijven. Vanwege dit belang en het feit dat deze voorwaarden vaak voor de wederpartij nadelig zijn, wordt er veel geprocedeerd over de vraag of (i) de algemene voorwaarden van toepassing zijn, (ii) de algemene voorwaarden op de juiste wijze zijn aangeboden aan de wederpartij en (iii) de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Sommige bedrijven hechten zo aan hun algemene voorwaarden dat zij – ik vermoed in hun enthousiasme – twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing verklaren op één overeenkomst. In dit soort gevallen rijst dan de vraag welke set van toepassing is. In het verleden heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, dat dan geen van beide sets geldt.Op 24 april 2015 heeft de Hoge Raad in de zaak van Forfarmers B.V. dit eerdere oordeel genuanceerd. De Hoge Raad overwoog in deze zaak dat als het voor beide contractspartijen duidelijk is dat twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst, dat dan aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de verklaringen, gedragingen en verwachtingen van partijen alsmede de opmaak van de overeenkomst, dient te worden bepaald welke set algemene voorwaarden voorrang heeft. Gegevens uitspraak: Hoge Raad 24 april 2015, 2015:1125.

2 juli 2015

Gedragsaanwijzing bij woonoverlast: een effectief instrument voor corporaties

Overlast kan het woongenot van een huurder ernstig verminderen. De verhuurder kan in een procedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde vorderen. Een rechter is echter zeer terughoudend in het toewijzen van deze vorderingen. Er worden strenge eisen gesteld aan de inhoud van het overlastdossier. Het gaat immers om een zeer vergaande maatregel.

De gedragsaanwijzing is een effectief instrument om de overlast in en rond huurwoningen ‘aan te pakken’.

Een gedragsaanwijzing is een verbod of gebod voor een huurder die overlast veroorzaakt. Bijvoorbeeld een gebod tot het onderhouden van een tuin, een gebod om een hond te muilkorven of een verbod op het draaien van harde muziek.

Een verhuurder kan echter de huurder geen gedragsaanwijzing opleggen. In het geval de huurder de gedragsaanwijzing weigert of de aanwijzing geen effect heeft, dan zal de verhuurder de rechter moeten vragen om, op straffe van een dwangsom, een aanwijzing op te leggen.

De gedragsaanwijzing is een waardevolle aanvulling op de overige instrumenten die tegen woonoverlast kunnen worden gebruikt. Er kan eerder worden opgetreden tegen overlast, waardoor de gang naar de rechter zou kunnen uitblijven.

1 juni 2015

Twee verschillende sets algemene voorwaarden

Algemene voorwaarden zijn van groot belang voor bedrijven. Vanwege dit belang en het feit dat deze voorwaarden vaak voor de wederpartij nadelig zijn, wordt er veel geprocedeerd over de vraag of (i) de algemene voorwaarden van toepassing zijn, (ii) de algemene voorwaarden op de juiste wijze zijn aangeboden aan de wederpartij en (iii) de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend zijn. Sommige bedrijven hechten zo aan hun algemene voorwaarden dat zij – ik vermoed in hun enthousiasme – twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing verklaren op één overeenkomst. In dit soort gevallen rijst dan de vraag welke set van toepassing is. In het verleden heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard, dat dan geen van beide sets geldt.Op 24 april 2015 heeft de Hoge Raad in de zaak van Forfarmers B.V. dit eerdere oordeel genuanceerd. De Hoge Raad overwoog in deze zaak dat als het voor beide contractspartijen duidelijk is dat twee verschillende sets algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst, dat dan aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de verklaringen, gedragingen en verwachtingen van partijen alsmede de opmaak van de overeenkomst, dient te worden bepaald welke set algemene voorwaarden voorrang heeft. Gegevens uitspraak: Hoge Raad 24 april 2015, 2015:1125.

28 mei 2015

Kosten in mindering brengen op de transitievergoeding

Vanaf 1 juli 2015 is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer wanneer de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en deze overeenkomst - kort gezegd - op initiatief van de werkgever is beëindigd of is beëindigd op initiatief van de werknemer als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Indien de werkgever tijdens de duur van het dienstverband maatregelen heeft getroffen om de werkloosheid van de werknemer te voorkomen of de periode van werkloosheid te verkorten dan wel maatregelen heeft getroffen om de inzetbaarheid van de werknemer te verbreden, kan de werkgever de kosten van deze maatregelen, de zogenoemde transitie- en inzetbaarheidskosten, onder bepaalde voorwaarden in mindering brengen op de transitievergoeding. Op 11 mei jl. heeft de regering bekend gemaakt welke voorwaarden dat zijn.

De belangrijkste voorwaarden zijn dat:
- de transitie- en inzetbaarheidskosten zijn gespecificeerd en schriftelijk zijn meegedeeld aan de werknemer;
- de transitie- en inzetbaarheidskosten zijn gemaakt nadat de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met het in mindering brengen van de gespecificeerde kosten. Deze voorwaarde geldt niet wanneer de werkgever op grond van bijvoorbeeld cao-afspraken of afspraken met de Ondernemingsraad (OR) reeds verplicht is om transitie- of inzetbaarheidskosten te maken;
- de transitie- en inzetbaarheidskosten zijn of worden gemaakt tijdens of na de periode waarover de transitievergoeding wordt berekend;
- niet op een derde of de werknemer kunnen worden verhaald; en
- de inzetbaarheidskosten zijn gemaakt voor activiteiten ter bevordering van de inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever, tenzij de verworven kennis en vaardigheden zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen; alsmede
- de inzetbaarheidskosten zijn gemaakt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de transitievergoeding verschuldigd is, tenzij werkgever en werknemer schriftelijk anders zijn overeengekomen.

Niet alleen transitie- en inzetbaarheidskosten kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding, ook de kosten van een langere dan wettelijke of overeengekomen opzegtermijn in mindering worden gebracht, mits de werknemer gedurende deze termijn is vrijgesteld van het verrichten van arbeid.

21 mei 2015

Afbreken van vergevorderde sollicitatieprocedure

Afwijzingen zijn inherent aan een sollicitatieprocedure, maar soms bevindt een potentiele werknemer zich zo ver in de procedure dat deze procedure niet meer (zonder schadevergoeding) kan worden afgebroken. In een recente zaak tussen een sollicitant en een provincie heeft de sollicitant onder andere twee positief verlopen sollicitatiegesprekken en een arbeidsvoorwaardengesprek gehad. Toch breekt de provincie de sollicitatieprocedure af. De vraag rijst of de provincie dit mocht doen.

De kantonrechter in deze zaak stelt voorop dat een sollicitatieprocedure (vanuit werkgeverszijde bezien) bedoeld is om te bezien of de kandidaat in kwestie geschikt is voor een vacante functie. Afhankelijk van de functie kan een sollicitatieprocedure soms meerdere rondes en gesprekken omvatten. Partijen in een sollicitatieprocedure staat het, ook al is de procedure al in een vergevorderd stadium, in hoge mate vrij op enig moment te besluiten om toch niet met elkaar in zee te gaan. Een sollicitant mag in een sollicitatieprocedure dan ook niet te lichtvaardig aannemen dat er een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen of zal komen. Bepalend is of de aspirant-werkgever zijn kennelijke wil kenbaar heeft gemaakt om een arbeidsovereenkomst met de sollicitant aan te gaan en of de sollicitant daarop in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Bij een zware functie als de onderhavige - die van concerndirecteur bij een provinciale overheid - mogen te meer hoge eisen worden gesteld aan de totstandkoming van een (eventuele) arbeidsovereenkomst. Ook voor werknemer als ervaren en hoogopgeleide manager moet dit van tevoren duidelijk zijn geweest, aldus de kantonrechter.

Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat er geen moment valt aan te wijzen waarop de Provincie jegens de sollicitant haar kennelijke wil kenbaar heeft gemaakt om definitief met hem in zee te gaan. Werknemer heeft er (ook) niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat er een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de provincie de sollicitatieprocedure (zonder betaling van een schadevergoeding) mocht afbreken.

Gegevens uitspraak: rechtbank Noord-Nederland 17 maart 2015, 2015:1195

15 mei 2015

Schade aan lease-auto; wie draagt de kosten?

Een werknemer is niet snel aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Maar wat als de werknemer benzine tankt in de geleasete dieselauto? In de navolgende zaak komt deze vraag aan de orde.

Feiten en omstandigheden
Werknemer is een jaar in dienst geweest bij werkgever en mocht tijdens het dienstverband zowel zakelijk als privé gebruik maken van een lease-auto.

In het toepasselijke lease-reglement staat dat werknemer de auto deskundig en zorgvuldig dient te gebruiken en dat schade als gevolg van niet-behoorlijk gebruik van de auto voor rekening van werknemer komt.

Op 2 februari 2012 heeft werknemer benzine in plaats van diesel getankt. De schade die hierdoor is ontstaan bedraagt ruim € 6.000,-.

Werkgever vordert een schadevergoeding van werknemer, terwijl werknemer meent dat het lease-reglement niet van toepassing is, omdat het verkeerd tanken plaatsvond tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden en in dat geval is hij slechts onder zeer bijzondere omstandigheden aansprakelijk. Deze bijzondere omstandigheden doen zich volgens werknemer in dit geval niet voor.

Oordeel rechter
De rechter volgt werknemer. Tijdens de procedure wordt duidelijk dat de verkeerde tankbeurt plaatsvond tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. In dat geval geldt het aansprakelijkheidsregime van artikel 7:661 BW. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat een werknemer niet aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden veroorzaakt, tenzij hij opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Van dit beperkte aansprakelijkheidsregime kan worden afgeweken, mits de afwijking schriftelijk wordt overeengekomen en de werknemer zichzelf heeft verzekerd tegen schadeclaims zoals in deze zaak.

In de onderhavige zaak was door middel van het lease-reglement afgeweken van voormeld regime, maar werknemer bleek geen verzekering te hebben, zodat de afwijking in het lease-reglement niet rechtsgeldig is. Nu werkgever werd geconfronteerd met het beperkte aansprakelijkheidsregime en het lease-reglement haar geen soelaas bood, klampte werkgever zich vast aan de laatste ontsnappingsmogelijkheid; te weten het opzettelijk of bewust roekeloos handelen van werknemer.

De rechter overwoog hieromtrent dat het tanken van benzine in een dieselauto een domme vergissing is, maar dat dat kan gebeuren wanneer iemand auto rijdt. Kortom, de schade aan de lease-auto komt in dit geval voor rekening van werkgever.

Gegevens uitspraak: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2015, 2015:1908.

15 april 2015

Nieuwe regels kinderalimentatie leiden tot chaos

Per 1 januari 2015 zijn de fiscale regels met betrekking tot de kosten van de kinderen ingrijpend gewijzigd. Een alleenstaande moeder ontvangt ten opzichte van de jaren ervoor een veel hogere tegemoetkoming van de overheid voor de kinderen en er wordt niet eenduidig omgegaan met verwerken van deze tegemoetkoming aan de inkomstenkant van de moeder. De verschillende rechtbanken in Nederland oordelen verschillend bij vergelijkbare zaken. Zo is een moeder met een laag inkomen vooralsnog beter af bij de rechtbanken in Alkmaar, Haarlem en Den Haag en bij andere rechtbanken kan juist een vader met een hoog inkomen er honderden euro's per maand op vooruitgaan. Familierechters hanteren verschillende uitgangspunten bij de vraag welk bedrag alimentatieplichtigen verschuldigd zijn, blijkt uit recente uitspraken. De financiële gevolgen voor de ex-partners kunnen enorm zijn. Door de vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsmediators (de vFAS) wordt dit uiteraard als zeer onwenselijk gezien en heeft aan de bel getrokken. Op zeer korte termijn komt er een expertgroep van familierechters bijeen om aan een oplossing te werken.

28 april 2014

Advies Kinderombudsman

De Kinderombudsman heeft recentelijk het ‘Adviesrapport vechtscheidingen’ gepresenteerd. In de periode tijdens en rondom een echtscheiding veranderen familieverhoudingen en kunnen emoties hoog oplopen. Uit onderzoek van de Kinderombudsman is naar voren gekomen dat als ouders erin slagen om met elkaar in gesprek te blijven, en in een vroeg stadium tot goede afspraken komen, schade bij kinderen wordt voorkomen. Want het is niet zozeer de scheiding zelf die schade oplevert, maar het ontstaan en aanhouden van conflicten. De Kinderombudsman stelt daarom voor om mediation bij scheiden wettelijk te verplichten.

31 maart 2014

Verjaring van een vordering? Stuiting?

Als een schuldeiser een vordering geruime tijd laat liggen, dan kan het gebeuren dat de vordering ‘verjaart’. Verjaring van een vordering betekent feitelijk dat de vordering na verloop van een in de wet bepaalde termijn niet meer (in rechte) kan worden afgedwongen. Een schuldeiser kan zijn verjaarde vordering wel nog steeds verrekenen met een schuld.

De algemene verjaringstermijn bedraagt 20 jaar. Voor veel vorderingen is in de wet echter een afwijkende verjaringstermijn opgenomen:

  1. vorderingen tot nakoming van een overeenkomst tot een geven of een doen: 5 jaar.
  2. vorderingen tot periodieke betaling (zoals rente, lijfrenten, dividenden, huren en pachten): 5 jaar.
  3. vorderingen uit onverschuldigde betaling: 5 jaar.
  4. vorderingen tot betaling van schade of een bedongen boete: 5 jaar.
  5. vorderingen tot ontbinding van een overeenkomst op grond van wanprestatie of tot herstel van een tekortkoming: 5 jaar.
  6. vorderingen een de koper wegens een gebrek van het geleverde: 2 jaar.
  7. Vorderingen tot vernietiging van een overeenkomst: 3 jaar.


Een verjaringstermijn kan gestuit worden, waarna deze termijn weer met eenzelfde termijn (maximum 5 jaar) verlengd zal worden. Een stuiting kan op de volgende wijzen worden gedaan:

  1. Instellen eis bij de rechter;
  2. Een vordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, of mededeling waarin het recht tot nakoming ondubbelzinnig wordt voorbehouden. Bij andere rechtsvorderingen moet (naast deze aanmaning of mededeling) vervolgens binnen 6 maanden gevolgd worden door het instellen van een eis bij de rechter;
  3. Erkenning door de schuldenaar;

15 februari 2014

Het in bezit hebben van 200 gram hennep is voldoende voor ontruiming van het gehuurde

In het gehuurde trof de politie tijdens een inval een grote zak en een doosje met hennep aan. Daarnaast werden op de salontafel gripzakjes gevuld met hennep van verschillend gewicht aangetroffen.

De verhuurder vorderde vervolgens ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

Het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch oordeelde in haar arrest van 10 december 2013 (zaaknummer: HD 200.105.726_01) dat de aanwezigheid van 200 gram hennep (en de omstandigheden waarin de hennep werd aangetroffen) in strijd is met de Opiumwet en dat een dergelijk feit een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst opleverde.

Het hof oordeelde dat de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigde, omdat de hoeveelheid aangetroffen hennep en gripzakjes duidde op een handelsvoorraad en een bedrijfsmatig karakter had.

Zelfs het maken van voorbereidingen van handel in hennep rechtvaardigde de ontbinding. Dat er geen hennepplantage was, dan wel voorzieningen voor de groei van hennepplanten waren aangetroffen en geen sprake was geweest van gevaarzetting of overlast, deed hieraan niet af.

Ten slotte heeft het hof de tekortkoming tegen het woonbelang van de huurder afgezet. Naar het oordeel van het hof was het woonbelang van de huurder niet toereikend om voortzetting van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De verhuurder had namelijk belang in het voorkomen van het gebruik van haar woningen voor commerciële doeleinden die crimineel van aard zijn, met daaraan verbonden negatieve uitstraling voor de woonomgeving en alle gevolgen van dien.

Het enkele bezit van 200 gram hennep rechtvaardigt dus een uithuiszetting.

17 januari 2014

Wijziging van partij tijdens procedure in hoger beroep of cassatie

Op 13 december 2013 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij terugkomt op de tot dan geldende regels met betrekking tot de wijziging van de hoedanigheid van een procespartij. Vanaf nu gelden daarvoor minder strenge regels.

De uitspraak ziet op het geval dat een procespartij nadat een vonnis is gewezen van hoedanigheid verandert, als gevolg van een fusie waarbij de procespartij is opgegaan in een andere rechtspersoon. Omdat de oorspronkelijke procespartij niet meer bestond kon uitsluitend de rechtspersoon cassatie instellen. De cassatiedagvaarding was echter uitgebracht op naam van de oorspronkelijke partij. Volgens de oude rechtspraak van de Hoge Raad zou dit tot niet-ontvankelijkheid van de dagvaarding hebben geleid, waardoor de aangevallen uitspraak onherroepelijk zou zijn geweest. Omdat de Hoge Raad van mening is dat het hier om een vergissing gaat die de belangen van de wederpartij in de procedure niet raakt, formuleert de Hoge Raad voor dergelijke gevallen nieuwe regels:

  1. Een procedure in een volgende instantie dient in beginsel plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie;
  2. Indien een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, kan een verschenen partij wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden;
  3. Het verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad (vgl. art. 122 lid 1 Rv);
  4. Indien de wederpartij niet in de door het rechtsmiddel ingeleide procedure is verschenen, beveelt de rechter dat zij wordt opgeroepen teneinde zich over het verzoek tot wijziging uit te laten.
Op deze manier heeft de Hoge Raad het procesrecht weer iets minder formeel gemaakt, zodat het beter aansluit op de (rechts)praktijk.

15 januari 2014

Hoge Raad verduidelijkt Ragetlie-regel

Het komt in de praktijk geregeld voor dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd, waarna tussen dezelfde werkgever en werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt gesloten. Omdat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, ontbeert de werknemer bij de ontslagbescherming die hij wel zou hebben gehad bij het eind van zijn overeenkomst voor onbepaalde tijd.

In 1986 heeft de Hoge Raad in de zaak Ragetlie/SLM uitgemaakt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die een voortzetting vormt van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd toch door opzegging dient te worden beëindigd om de werknemer niet de met het vereiste van opzegging gepaard gaande ontslagbescherming te onthouden. Deze zogenaamde Ragetlie-regel is op 1 januari 1999 vastgelegd in artikel 7:667 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. In de literatuur heeft dit artikel tot discussie geleid over de vraag of de Ragetlie-regel ook geldt indien de werknemer zijn dienstverband voor onbepaalde tijd zelf heeft opgezegd of indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden is beëindigd.

Op 20 december 2013 kreeg de Hoge Raad de kans om zich over die vraag uit te laten. In deze zaak ging een werknemer na 14 jaar trouwe dienst een arbeidsovereenkomst aan met een nieuwe werkgever. Al gauw had de werknemer spijt van deze stap. Binnen één maand was hij dan ook weer in dienst bij zijn oude werkgever, maar dit keer op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Na de eerste verlening met wederom één jaar werd deze arbeidsovereenkomst niet opnieuw verlengd. De werknemer heeft met een beroep op de Ragetlie-regel betoogd dat de arbeidsovereenkomst niet op juiste wijze was beëindigd door de werkgever, nu daarvoor opzegging was vereist. De kantonrechter en het gerechtshof hebben het beroep op de Ragetlie-regel afgewezen en oordeelden dat de arbeidsovereenkomst door tijdsverloop rechtsgeldig was beëindigd. Ook de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad deelde deze mening en heeft de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep af te wijzen. De Hoge Raad oordeelde echter anders. Met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis en de achtergrond van de Ragetlie-regel bepaalde de Hoge Raad dat artikel 7:667 lid 4 BW ook geldt als de werknemer zelf zijn opvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft opgezegd of als die arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. In beide gevallen mist de werknemer volgens de Hoge Raad de ontslagbescherming die wel aanwezig is in geval van opzegging door de werkgever of ontbinding door de kantonrechter.

2 januari 2014

Griffierecht 2014

Met ingang van 1 januari jl. zijn de griffierechten verhoogd. De hoogte van de griffierechten voor de eiser die een procedure start bij de kantonrechter kunt u hier raadplegen. Als gedaagde voor het kantongerecht bent u geen griffierecht verschuldigd.
Bij de sector civiel van de rechtbank zijn zowel de eiser als gedaagde griffierecht verschuldigd. De hoogte daarvan vindt u hier. Ook in hoger beroep bij het gerechtshof zijn zowel de eiser als de gedaagde griffierecht verschuldigd. Hier leest u hoe hoog die griffierechten zijn.

7 november 2013

Rechtsbijstandverzekering biedt
toch recht op vrije keuze advocaat

Iedereen die voor rechtsbijstand verzekerd is, heeft het recht op vrije keuze van een advocaat indien geprocedeerd moet worden. Dat volgt uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 7 november 2013. Het gaat om alle gerechtelijke of administratieve procedures, dus ook de procedures waarvoor procesvertegenwoordiging door een advocaat wettelijk niet verplicht is. De bevoegdheid van de verzekerde om zelf een advocaat te kiezen mag in de polisvoorwaarden niet door de rechtsbijstandverzekeraar worden uitgesloten.

Door de uitspraak van het Europese Hof staat nu vast dat veel polisvoorwaarden in strijd zijn met de Europese Richtlijn 87/344/EEG en het daarop gebaseerde artikel 4:67 van de Wet op het Financieel Toezicht .

Naar het voorlopige oordeel van Oprecht Advocaten betekent dit dat verzekerden de kosten van de door hen zelf ingeschakelde advocaat kunnen terugvorderen van hun rechtsbijstandverzekeraar indien de verzekeraar geweigerd heeft de kosten van de advocaat te voldoen. Dit is extra interessant in zaken waarin de verzekerde de procedure heeft verloren, aangezien in de meeste polisvoorwaarden is opgenomen dat ook de proceskosten van de tegenpartij door de verzekeraar vergoed worden. Bent u benieuwd wat deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor uw situatie betekent, dan kunt u contact opnemen met mr. Linda Bijl (0229-285070 of l.bijl@oprecht.nl) of mr. Marten Folkeringa (0229-285070 of m.folkeringa@oprecht.nl)

3 november 2013

Indexering alimentatie per 1 januari 2014

Het indexeringspercentage per 1 januari 2014 is bekend: de indexering van
de alimentatie (mits deze niet is uitgesloten) zal 0,9% bedragen.
Stel uw ex-echtgenoot / ex-partner tijdig op de hoogte van dit percentage zodat u met ingang van 1 januari 2014 gelijk het juiste bedrag aan kinder- en/of partneralimentatie ontvangt.

1 augustus 2013

Wettelijke regeling betaaltermijnen

Op 16 maart 2013 is het Burgerlijk Wetboek aangepast omdat de Europese Richtlijn 2011/7 ter bestrijding van betalingsachterstanden bij handelstransacties is geïmplementeerd. De regeling dient te worden gelezen naast het besluit van 27 maart 2012 (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten).

Wat is er veranderd?
Voor handelsovereenkomsten, die zijn gesloten na 16 maart 2013, gelden de volgende uitganspunten:

Handelstransacties tussen ondernemingen
Ondernemingen kunnen een betalingstermijn overeenkomen van ten hoogste 60 dagen. Een langere termijn is alleen mogelijk indien dit uitdrukkelijk in de overeenkomst is afgesproken (dit opnemen in algemene voorwaarden bij de overeenkomst is dus niet voldoende). De langere termijn mag bovendien niet “kennelijk onbillijk” zijn ten opzichte van de schuldeiser. Om te bepalen of deze langere termijn billijk is wordt mede gekeken naar de volgende omstandigheden:

  1. de vraag of een schuldeiser objectieve redenen heeft om af te wijken van de 30 dagen termijn;
  2. de aard van de prestatie;
  3. elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken;


Overheidsinstanties
Voor overheidsinstanties geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag een langere termijn (van 60 dagen) worden bedongen. Dit moet namelijk uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn overeengekomen en de bijzondere aard van de overeenkomst moet dit rechtvaardigen.

Geen betalingstermijn afgesproken

Als er geen termijn is overeengekomen dan geldt er een betalingstermijn van 30 dagen. Deze termijn dient als volgt te worden berekend:

  1. vanaf de dag van ontvangst van de factuur;
  2. als de datum van de ontvangst van de factuur niet vaststaat (of als de factuur voor de prestatie van is ontvangen): vanaf de dag na de ontvangst van de prestatie;
  3. als er een termijn is bedongen voor de aanvaarding van de prestatie: vanaf 30 dagen na de aanvaarding.


Minimum betalingstermijn?
Er is geen wettelijke grondslag voor een minimum betalingstermijn. Partijen kunnen hier zelf afspraken over maken. Er kan ook worden afgesproken dat dat er vooraf betaald dient te worden. Een betalingstermijn mag echter niet onredelijk zijn.

Wettelijke rente en incassokosten

Als de betalingstermijn is overschreden is de schuldenaar wettelijke rente handelsrente verschuldigd. Als er niet tijdig wordt betaald (de betalingstermijn is overschreden) dan kan de schuldeiser bovendien een standaardvergoeding voor incassokosten vorderen, ook zonder dat er een aanmaning is verzonden. Als er niets is afgesproken over de hoogte van de incassokosten, dan kan de schuldeiser aanspraak maken op een percentage van de vordering, één en ander conform het besluit normering incassokosten: www.zoek.officielebekendmakingen.nl

10 juni 2013

Nieuwe richtlijnen kinderalimentatie

Per 1 april 2013 zijn er nieuwe richtlijnen voor de vaststelling van kinderalimentatie. De overheid heeft geprobeerd om de regelgeving te vereenvoudigen. De stappen die gezet moeten worden zijn (kort samengevat) als volgt:

  1. De financiële behoefte van de minderjarige wordt met behulp van Nibud tabellen vastgesteld op basis van het netto gezinsinkomen van de ouders en het eventueel ontvangen Kindgebonden Budget ten tijde van het feitelijk uiteengaan van de ouders.
  2. De draagkracht van de beide ouders wordt vastgesteld aan de hand het netto besteedbaar inkomen van de ouders en de zogeheten “draagkrachttabel”. De werkelijke woonlasten, ziektekosten, aflossing schulden en dergelijke spelen derhalve (in beginsel) geen rol meer.
  3. Er wordt gekeken in welke verhouding de ouders moeten bijdragen in de financiële behoefte van de minderjarige.
  4. Er wordt een zogeheten “zorgkorting” vastgesteld voor de alimentatieplichtige ouder. Dit is een financiële compensatie voor het gemiddeld aantal dagen per week/maand dat de minderjarige feitelijk bij de alimentatieplichtige ouder doorbrengt.
  5. Mocht uit het vorenstaande een uitkomst komen die voor een alimentatieplichtige onaanvaardbaar is (dit is het geval wanneer de alimentatieplichtige in een positie komt waardoor hij niet meer kan voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud) dan kan er een correctie plaatsvinden. Een eenvoudiger en doorzichtiger rekensysteem? Dat is volgens veel specialisten nog maar de vraag...

1 april 2013

Meldingsplicht belastingdienst

De ondernemer in zwaar was er al mee bekend: de meldingsplicht belastingdienst. In het verleden gold deze meldingsplicht alleen bij betalingsonmacht. Als de belastingschuldige niet binnen 14 dagen na het verschuldigd zijn van zijn belastingen betalingsonmacht meldt, dan is het bestuur mede aansprakelijk voor de betalingsachterstand.

De belastingdienst kan voor de betaling van loon-en omzetbelasting zich met voorrang verhalen op roerende zaken die op de bodem staan van de belastingschuldige en dienen ter stoffering van die bodem (denk aan machines, kantoorinventaris e.d.; voorraad en showroomartikelen vallen niet onder de definitie “bodemzaak”). Dit betekent dat u als (stil) pandhouder, leverancier met eigendomsvoorbehoud, leasemaatschappij en mogelijk zelf als beslaglegger in conflict kan komen met het voorrecht van de belastingdienst.

Het was de belastingdienst een doorn in het oog dat derden (lees: de banken) “constructies” bedacht om aan het bodemrecht van de belastingdienst te ontkomen. Middels nieuwe wetgeving heeft de belastingdienst haar positie per 1 april 2013 verbeterd. U moet nu voordat u tot uitwinning overgaat van een bodemzaak daarvan melding doen bij de belastingdienst. Eerst na 4 weken ontstaat er dan een ophaalrecht. Dit ophaalrecht geldt gedurende 4 weken. Laat u deze verstrijken, dan dient u opnieuw een melding te doen.

De penalty op niet melden is dat de belastingdienst u als uitwinner aansprakelijk kan houden tot betaling van de executiewaarde van de bodemzaak. Als u geen taxatierapport in uw bezit heeft, dan zal de belastingdienst de waarde schatten.

20 maart 2013

Verschoningsrecht bedrijfsjurist

Een advocaat heeft het recht om tijdens een verhoor geen getuigenis af te leggen. Het was jarenlang de vraag of dit verschoningsrecht ook op advocaten in loondienst van toepassing was. De Hoge Raad heeft recent overwogen dat er in Nederland geen grond bestaat om aan een advocaat in dienstbetrekking het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is.

15 maart 2013

6% meer rechtzaken

Uit het jaarplan Rechtspraak 2013 volgt dat de aanhoudende crisis dit jaar voor 6 % meer rechtszaken dan in 2012 zal zorgen. De oorzaak is onder meer gelegen in de toename van het aantal faillissementen en ontslagzaken. In het jaarplan worden prognoses en beleidsvoornemens van de Raad voor de rechtspraak en de gerechten gepresenteerd.

1 maart 2013

Hypotheekakte

Bij arrest van 8 februari 2013 heeft de Hoge Raad bepaald dat een hypotheekakte na uitwinning van het onroerend goed, slechts onder zeer uitdrukkelijke omstandigheden kan dienen als executoriale titel voor het restant van de vordering.

    De voorwaarden zijn:

  1. De vordering, waarvoor de executiebevoegdheden zijn verleend, moet met voldoende bepaaldheid (in de akte) zijn omschreven;
  2. Het moet zien op een vordering die ten tijde van het verlijden van de akte reeds bestond (en omschreven), of:
  3. Een toekomstige vordering die haar onmiddellijke grondslag vindt in een ten tijde van het verlijden reeds bestaande (en omschreven) rechtsverhouding.

Voldoet de hypotheekakte niet aan deze voorwaarden, zal het restant van de vordering dus een afzonderlijke titel (lees: vonnis van de rechtbank) gehaald moeten worden.

“Nieuwsgierig, maatschappelijk betrokken en proactief”